En als de dood nu niet het ergste blijkt?

Leven na een beroerte

Jaska de Bree

Bauke Kappers, van 1983 tot juli 2002 televisieregisseur van onder meer Jules Unlimited, Twaalf Steden Dertien Ongelukken en Twee Meter Sessies, krijgt eind 2002 op zijn 50e een beroerte. Deze ramp met als restschade een eenzijdige verlamming, verandert zijn werkzame en privéleven ingrijpend.

Dat geldt evenzeer voor zijn vrouw, Jaska de Bree, sociaal pedagoog, docente Sociaal Pedagogische Hulpverlening (SPH) aan diverse hogescholen en auteur van zes SPH-studieboeken.

Na 14 jaar gooit Bauke de handdoek in de ring. Hij vraagt en krijgt euthanasie.

Leesfragment

Uit hoofdstuk: Val in de afgrond.

Tien uur in de ochtend 12 december 2002

Mijn telefoon gaat. Dat zal jij zijn om te vragen of ik koffie kom drinken. Ik heb wel trek en pak de hoorn van de haak.

“Mopje, kom gauw. Ik voel me zo slecht…” De onverholen angst in je stem brengt me acuut in opperste staat van paraatheid. Ik smijt de telefoonhoorn neer en ren door ons 26 meter lange appartement naar jouw kamer aan de voorzijde.

Weggezakt op de bank lispel je met een naar links weggezakte mondhoek:

“Ik voel mijn linkerhand niet meer.”

Terwijl ik voel dat onze wereld aan het vergaan is, neemt mijn verstand het heft in handen.

“Je hebt een beroerte denk ik. Ik ga Bob (onze huisarts) bellen.”

Ben nu op bekend terrein. In geval van nood moet je De Bree hebben. Die raakt nooit in paniek. Die wast de varkentjes die gewassen moeten worden. Pas na verloop van tijd merk ik keer op keer dat deze scène, en de hierop volgende, in mijn geheugen en ziel gegrift staan.

“Je moet meteen een ambulance bellen,” zegt Bob. “Het duurt te lang voordat ik er ben.”

Onze zes maanden oude katertjes blijven onverschrokken in jouw buurt. Bijzonder en ontroerend. Ik ga naast je zitten en sla een arm om je heen. Je mondhoek trekt steeds verder weg. Je gezicht ziet bleek en voelt klam aan. Je linkerhand ligt levenloos naast je. Ik hou je aan de praat, benoem wat ik denk dat er aan de hand is. Let goed op of er iets aan je manier van praten of houding verandert. Helaas ben ik ervaringsdeskundige, maar daarover later meer.

Mijn oren zijn gespitst op het geluid van een sirene. Wat duurt het lang… of lijkt dat maar zo. Samen met jou lijk ik in een luchtbel te zitten. Afgescheiden van de rest van de wereld. Een andere dimensie. “Daar zijn ze, lief.” Bang om je maar een seconde alleen te laten, loop ik snel naar de video-intercom en druk op de knop voor de deuropener vier etages lager. Even later duwen twee mannen in geelgroene pakken een brancard uit de lift en lopen ons appartement binnen. “Gelukkig is deze lift groot genoeg voor een brancard. We moeten soms de brandweer bellen om te takelen.”

Alles hadden we goed bekeken op rolstoelvriendelijkheid, voor we een half jaar geleden dit appartement kochten. Omdat twee jaar eerder het postpoliosyndroom bij jou was gediagnosticeerd en je binnen 15 jaar langzaam maar zeker niet meer zou kunnen lopen, besloten we preventief te zijn. We gingen op zoek naar en vonden dit fijne levensloopbestendige appartement in een verbouwd pakhuis, genaamd ‘Liefde’, aan de Nieuwe Teertuinen. Uitkijkend op water en het Prinseneiland. We zouden in de winter zelfs ons zeiljacht voor de deur kunnen aanleggen. Op aanraden van je arts was je net met werken gestopt en had je jouw aandelen in een televisieprogramma-productiebedrijf in Hilversum verkocht. Je keek er naar uit om meer te gaan zeezeilen en in je amateurswingorkest gitaar te blijven spelen. Ja, er was rolstoelruimte genoeg en bovendien zou daarin belanden een langzaam proces zijn. Maar of de lift een brancard kon herbergen? Daar hadden we niet op gelet…

“Dag meneer. Kunt u vertellen wat er aan de hand is? Intussen meten wij uw bloeddruk en maken een hartfilmpje.” De mannen gaan geroutineerd met je aan de slag. Ik denk intussen: ‘Wat zóu er aan de hand zijn!!! Je ziet toch die scheve mondhoek en die lamme hand?!!! Schiet op, leg hem op de brancard en hup naar het ziekenhuis.’ Maar hoewel ik normaal gesproken niet op mijn mondje gevallen ben, zwijg ik. En niet lang erna besluiten ze dat je inderdaad nader onderzocht dient te worden.

“Mevrouw, u gaat mee neem ik aan? Kijkt u voordat u weggaat even goed rond of u niet iets op het gas heeft staan, of dat er een wasmachine draait. We moeten toch niet hebben dat uw huis ook nog afbrandt omdat u te gehaast wegging!”

Verdwaasd en met suizende oren controleer ik het gasstel en de wasmachine, hoewel ik zeker weet dat we om negen uur in de ochtend niet stonden te koken of te wassen. Ik graai je leren jack (jezus wat is die zwaar!), mijn jas en tasje met sleutels van de kapstok, let nog goed op dat de twee poesjes niet mee naar buiten glippen en pers me naast de brancard in de lift. Buiten wacht de ambulance. Ik kruip op de stoel naast de brancard en probeer met een hand onze jassen en mijzelf vast te houden en met de andere jouw lamme hand.

“Waar gaan jullie eigenlijk heen?” hoor ik mijzelf vragen.

“Normaal gesproken naar het OLVG maar heeft u een ander idee?”

“Nou, Bauke is onder behandeling voor het postpoliosyndroom bij dr. Nollet en die werkt in de VU. Misschien is het handig om hem daarheen te brengen.”

“Oké. Doen we dat. Even melden dat we eraan komen.”

Wanneer later de ‘alsen’ toeslaan, zal ik dit moment als cruciaal ervaren. Als ik niet had besloten om naar de VU te gaan, dan zouden we in het OLVG zijn beland. Waar geen stronteigenwijs neuroloogje in opleiding een verkeerde diagnose zou maken waardoor te laat werd geconstateerd dat er een herseninfarct gaande was. Waar ze beter afgestemd waren op de methodiek van het latere revalidatiecentrum. Als als als…

Met de sirene aan racen we naar de VU. Het verraderlijk gevoel bekruipt me dat nu alles wel op z’n pootjes terecht zal komen; we gaan immers naar het Walhallah van het medische kunnen. Tegelijk bespringen mij oude gevoelens. Van 25 jaar geleden. Toen ik net zo in een ambulance zat, naast mijn 33-jarige, bijna zes maanden zwangere vriendin die, waar ik bij was, een hersenbloeding kreeg en vrijwel meteen in coma raakte. Dat liep slecht af. De bloeding bleek bij opereren te groot en op een te kwetsbare plek. Ze bleek hersendood. Het kindje was te jong om gehaald te worden. Beiden overleden ze op 31 december 1977, in het toenmalige Wilhelminagasthuis in Amsterdam. Oh god, hoe zou het met jou aflopen? Je zegt weinig onderweg naar het ziekenhuis. Je bent doodziek. “Voelde me hondsberoerd,” zeg je later. En dat je dacht “Die arme Jaska. Zit ze weer in een ambulance naast iemand met een hersenbloeding.”

Afdeling spoedeisende hulp

Je wordt met brancard en al afgeleverd op de spoedeisende hulp. Meer gebeurt er niet. Gewoon neergezet. Alsof er weinig spoedeisends aan de hand is. De assistent-neuroloog zal worden geroepen. Verbijsterd blijf ik naast je staan. De brancard is zo smal dat ik je op je plek moet houden omdat nu je hele linkerkant verlamd blijkt en je been steeds van de brancard dreigt te vallen. Ik zeg tegen je dat ik heel even wegga om Katinka te bellen, een goede vriendin uit je swingorkest en kinderarts in de VU. Zij staat op het punt om te gaan schaatsen als de telefoon gaat en ze goddank besluit die nog even op te nemen. Binnen een kwartier kan ze er zijn.

Intussen arriveert de assistent-neuroloog. “Waarom geen afgestudeerde neuroloog?” is mijn eerste vraag. “Hij heeft duidelijk een beroerte. Er moet iets gebeuren.” “Die haal ik erbij als het nodig is.” Aldus het verder niet van enige empathie getuigende jonge broekie. Hij stelt je allerlei vragen, onderzoekt je oppervlakkig. Hij vraagt mij wanneer het gebeurde. Ik vertel hem duidelijk dat je mij om precies 10.00 uur belde en dat je toen al een scheef gezicht en lamme hand had. Ik vertel hem ook dat ik ’s nachts rond drie uur wakker werd en merkte dat je niet naast me lag. Dat ik je op het toilet aantrof en vroeg of alles oké was. Je leek slaapdronken. Stond toen op en liep wat wankelend door de gang terug naar de slaapkamer. Ik vertel dat ik dat wat vreemd vond, maar verder niet gealarmeerd was.[4] De neuroloog in opleiding (NIO) gaat weg om te overleggen met de oppergod neurologie, die zich elders in het pand bevindt. Katinka arriveert. Ze komt even bij je kijken en besluit in de wachtkamer te gaan zitten, samen met een andere vriendin van mij, totdat de diagnose gemaakt is. Ook zij zijn in zekere shock. Elders in de ruimte klinkt vanachter een gordijn gepraat als door een dronken vent. Jij lispelt: “Die man praat volgens mij net zoals ik.” We moeten er zowaar om lachen.

Het is een cliché-uitspraak maar oh zo waar: ik voel me steeds minder van deze wereld. Beiden zijn we in een andere dimensie beland. Zonder enig houvast. Alleen elkaar. Waarbij jij steeds verder wegzakt in een nog andere wereld van pijn, claustrofobie en angst. En ik me steeds eenzamer en machtelozer ga voelen. Vooral omdat er bij de (para)medici hier niets van enige urgentie of betrokkenheid merkbaar is. Daar waar een verkeersslachtoffer meteen een nekbrace krijgt om (verdere) beschadiging van de nek, en daarmee verlamming, te voorkomen, daar waar datzelfde slachtoffer met veel tamtam op de spoedeisende hulp meteen door vele helpgrage handen wordt omringd, word jij, die al evident een verlamming heeft, behandeld alsof er sprake is van een sneetje in je vinger. Het is onverdraaglijk.

De NIO vertoont zich eindelijk weer en meldt dat hij een CT-scan wil laten maken. Na nog een poos wachten bij de betreffende afdeling word je opgehaald. Ik mag niet mee, terwijl jij inmiddels erg angstig bent en niet kunt ophouden met hevig te trillen. Oh waarom zet ik niet door… waarom word ook ik geïntimideerd door die medische omgeving… je bent zo bang. Niet lang daarna word je weer naar buiten gereden. Weer wachten. We zwijgen. Je hebt erg veel pijn en wordt daardoor ook steeds suffer. We zijn nu vanaf 11.00 uur hier in de VU. Het loopt tegen enen en nog steeds is er niets aan je toestand gedaan. Dan komt de melding dat de scan mislukt is omdat je niet stil kon liggen. Nóg een keer…

De NIO komt zeggen dat er niets te zien valt op de scan. Hij is er niet van overtuigd dat dit een CVA is. Hij wil graag een psychiater erbij roepen. Ik moet me bedwingen om hem niet lijfelijk aan te vallen. God god gloeiende… Wie denkt ie dat ie is… ik ben zelf door mijn beroep genoegzaam bekend met psychiatrische symptomen en bovendien de enige deskundige met betrekking tot hoe jij in elkaar steekt. Dit is geen gevalletje van conversie.[5] Hoe durft ie dat te beweren en intussen tikt de klok verder en kan de schade steeds groter worden. Katinka kan hem ook niet op andere gedachten brengen. Zij is weliswaar een kinderrevalidatiearts, maar kinderartsen schijnen binnen de medische hiërarchie niet hoog te scoren. De psychiater arriveert redelijk snel. Een aimabele, doortastende vrouw die na een aantal vragen aan jou resoluut meldt dat ‘deze man absoluut niets psychiatrisch mankeert en de klachten op fysiek vlak gezocht moeten worden.’ Zo. Die kan ie in z’n zak steken, denk ik. Alleen, wat heb jij mijn lief eraan. Jij ligt daar ernstig pijn te lijden en glibbert weg van die smalle brancard. Je nu verlamde linkerbeen zit in een orthese[6] en die weegt ook het nodige. Maar ook dat, zeg je, voel je nu niet meer.

En dan besluit de nog steeds onzichtbare oppergod neuroloog dat je toch moet worden opgenomen en de volgende dag opnieuw gescand. Inmiddels ben je nog nauwelijks bij bewustzijn. Zo moe, zo veel pijn. Je wordt eindelijk van de brancard verlost en in een bed naar de afdeling gereden waar je de gehele nacht en volgende dagen onder voortdurende observatie zult zijn. Je krijgt voor de zekerheid medicatie die hersenzwelling moet verminderen. Het is zes uur wanneer je eindelijk onder behandeling komt. Je wordt voorlopig buiten bewustzijn gehouden omdat de pijn niet te verdragen is vanwege die hersenzwelling binnen je schedel. Die zoals we weten, niet meegeeft.

 

Uit hoofdstuk Revalidatiecentrum.

Vreemd hoe een mens zich rijk kan rekenen binnen een situatie die hij niet lang daarvoor als ondraaglijk zou hebben gekenmerkt. Na zes weken in de VU, bij gebrek aan ruimte in het RCA, zijn jij en ik haast euforisch omdat je eindelijk naar de Overtoom mag. Helaas niet schuitje varend. Want dat eufore gevoel wordt al snel gedempt zodra we in de rolstoeltaxi – eufemistisch woord voor een loei van een bestelauto waarin een groepje invaliden tegelijk wordt vervoerd – zijn beland. Je voelt je uitermate onveilig, zo ingesnoerd in een aan de grondplaat vastgemaakte rolstoel. We scheuren over de snelweg. Je zegt: “Als we een ongeluk krijgen ben ik reddeloos verloren.” Ik ben overmatig empathisch en kan me levendig voorstellen hoe dat moet voelen. Het weeë gevoel in mijn maagstreek doet zich alweer gelden. Maar straks zijn we in het RCA. Dichter bij huis. Letterlijk en figuurlijk.

Zwarte humor

De heisa met de ‘bunker’, zoals je de (te) grote rolstoel bent gaan noemen, vangt weer aan maar na een poosje staan we toch voor de receptie van het RCA. Allervriendelijkste mensen natuurlijk. Maar je ziet ook al aan de blik en de routineuze handelingen dat er hier van jou dertien in een dozijn gaan. We worden in een wachtkamertje neergezet met een kop thee, in afwachting van de intake. We kijken elkaar verbijsterd aan. Aan de wand hangt een foto van een boot vol onder zeil en in de hoek staat een akoestische gitaar. Het kan niet waar zijn. Toppunt van zwarte humor, waar we normaal gesproken best van houden. Maar nu niet.

Een paar dagen later komen we in het ‘gezellige’ RCA-café (ook te bezoeken door buurtbewoners) Louis tegen, de eigenaar van die gitaar. De, schat ik, 40-jarige man zit alleen aan een tafeltje, met een biertje. We schuiven aan, dat wil zeggen, jij probeert met een arm de loodzware ‘bunker’ langszij te manoeuvreren en ik ga zitten als je dat enigszins gelukt is. Louis begint een praatje en zegt ook patiënt te zijn, poliklinisch inmiddels. Er is echter niets aan hem te zien. Op jouw vraag waarvoor hij hier is zegt hij dat hij een jaar geleden net als jij links eenzijdig verlamd raakte. Hetgeen zich na vijf weken begon te herstellen. Hij kon zelfs na een poos weer gitaar spelen. Niet zo goed als eerst, maar toch. Een gevoel van afgunst overvalt me. Jij vraagt waarvoor hij nu nog in behandeling is. Louis vertelt dat zijn omgeving thuis, en vooral zijn vrouw, vonden dat ie zo veranderd was na dat infarct. Zijn vrouw zei dat hij naar haar toe zo weinig gevoel toonde. Dat zij eiste dat hij in therapie zou gaan. Bij nader onderzoek bleek dat hij zijn empathische vermogen kwijt was. “Dat zeggen ze dus hé,” voegt hij eraan toe, “ik weet niet wat ze bedoelen.” Inmiddels was zijn vrouw bij hem weg. Ze hield het niet meer bij hem uit. Tijdens dit relaas verdwijnt mijn jaloerse gevoel als sneeuw voor de zon. En gaande het gesprek blijkt ook dat Louis inderdaad weinig tot geen gevoel meer heeft voor zijn medemens.

Later, als we weer onder elkaar zijn, constateren we dat wat die Louis heeft overgehouden aan dat infarct erger is dan een eenzijdig verlamd lijf. Die constatering doen we heel stellig. Stelliger dan het antwoord op de bekende vraag: als je moet kiezen, zou je dan liever doof of blind zijn? En ik vertel je van mijn angst dat dit ook bij jou het geval was. Die zaterdag na het infarct toen je voor het eerst helemaal bij kennis was. Dat je me aankeek met opengesperde ogen zonder enige gevoelsuitdrukking. Dat ik toen zo bang was dat jij, hoewel nog in leven, toch niet meer dezelfde was. Je moet erom huilen als ik het vertel. Maar ik vertel je ook dat een dag later al bleek dat jij er nog steeds was. We konden samen praten over wat ons overkomen was. We wisten toen nog niet dat de verlamming permanent zou blijken te zijn. Maar toen dat duidelijk werd konden we tenminste samen huilen om wat we kwijt waren. In tegenstelling tot Louis en zijn vrouw.

Dat café blijkt steeds meer een karikatuur van het gewone leven. Iedereen doet hevig zijn best om te doen alsof het normaal is om zonder functionerende handen, armen of benen, of met afasie, in rolstoelen of zelfs liggend op een bed in een kroeg te verblijven. Maar bij gebrek aan beter ontvang jij je bezoek toch meestal daar. Milembe vertelt over een gesprek dat ze daar met je had:

‘In het RCA merkte je, begon het in te dalen, wat er eigenlijk aan de hand was. Ik kan me nog een gesprek herinneren beneden in dat cafeetje, waar ie dan wel hele vette grappen over maakte, maar wat een heel vreselijke tent was. Hij vertelde daar dat hij het idee had dat hij zijn twee grote hobby’s, het gitaar spelen en het zeilen, moest inleveren. Dat was een heel emotioneel gesprek toen. En hij moest erg huilen en ik ook. Hij moest trouwens vaak en veel huilen in die eerste periode.’

 

Uit hoofdstuk: De vriendenzeef

De een voegt zich schijnbaar naadloos naar onze behoeftes, de ander worstelt met de eigen al dan niet tot uiting gebrachte emoties, weer een ander doet net alsof er niets is gebeurd en iemand anders put zich uit in het aandragen van allerlei concrete oplossingen. Naast ons eigen verdriet blijken al die verschillende reacties een extra lastig gegeven. Met name als de reactie niet erg spoort met wat jij en/of ikzelf nodig hebben. Niet dat we dat altijd zelf zo goed weten. Ik heb weinig energie om het ‘erover te hebben’ met betrokkenen. En als dat uiteindelijk toch gebeurt is het kwaad al geschied of lukt het niet om er echt goed uit te komen samen. Ik weet wel dat jij noch ik types zijn die snel hulp vragen. Het zal dan ook niet makkelijk zijn voor de omgeving om die uit zichzelf te geven. Zou het wel de juiste hulp zijn? Wat voor reactie krijg ik als het niet goed valt? Mijn vriendinnen Uschka en Marry zeggen respectievelijk hierover:

‘Dat samenzijn na het koor gaf jou de ruimte om even los te gaan en te voelen. Dat was nodig. Ook door jouw persoonlijkheid van ‘hop doorzetten en aanpakken’. Het werd steeds duidelijker wat het met jou deed. Dat inzicht over waar je in terecht gekomen bent komt natuurlijk met horten en stoten. Ik denk dat je jezelf wel opnieuw hebt moeten uitvinden. Bauke natuurlijk, maar jij zeker ook. Het voelde wel als een noodlot, vond ik. Ik voelde me af en toe ook wel machteloos naar jou toe. Ik kon een luisterend oor zijn. En dat je in praktische zin een beroep op me kon doen omdat ik vlakbij woonde, maar… het was niet makkelijk. Ik zag jou ook lijden. En jij zag Bauke lijden. Maar dat er echt niks aan te doen was… jij hielp mij daar ook mee… en anderen ook denk ik, door het zo te benoemen. Hier gaan geen doekjes om gewonden worden. Dit is zo erg.

Je kon zo goed steun gebruiken en het was zo moeilijk om die te verlenen. Voor mij. Omdat ik een heel ander mens ben. Anders in elkaar steek. En jij het moeilijk vond om te vragen, denk ik. Of om te weten wat je nodig had. Ik vond het moeilijk om te zoeken naar wat de juiste koers was om je te kunnen steunen. Ja. Eigenlijk bleken dat toch gewoon die dinsdagavonden dat jij kon praten en dan samen naar huis fietsen.’

‘Ik weet nog destijds dat je er zo vol van was. Je bleef er maar over praten. Dat heeft me niet gestoord want ik begreep dat wel en ik realiseerde me ook heel goed wat voor ongelooflijke impact het had. Ik had soms het gevoel dat ik je weinig terug kon geven. Maar ik kan redelijk goed luisteren, dus ik heb veel naar je geluisterd. Je laten praten. Ik heb het zo ervaren: dat je het prettig vond om te vertellen wat er allemaal gebeurde, hoe jij erin stond, wat je beleefde, je verdriet, en dat ik daar goed naar luisterde en niet meteen met allerlei adviezen kwam. Die ik trouwens niet had. Ik kende zo’n situatie niet. En ja, daar maakte je ook in die zin vriendschappelijk gebruik van. Je was in die tijd voornamelijk ook wel rationeel. Je was niet huilerig. Je was wel verdrietig maar je zei het meer dan dat ik het aan je gedrag merkte. Je hebt nooit bij me uitgehuild of zo. Ik had niet het idee dat je je expres inhield. Je moest je verhaal kwijt en soms wel tien keer. Weet je, ergens goed over kunnen praten is niet iets wat iedereen gegeven is. En jij toonde in je woorden wel emotie. Je verdriet, je frustratie, je boosheid soms, je onmacht, noem maar op, daar sprak je over. En dat kwam ook over. In die zin waren die emoties er zeker wel.’

Dat het bovendien voor veel mensen heel lastig is om met verdriet en pijn van anderen om te gaan is geen nieuws. Voelen en delen van gevoelens staan niet bepaald in de top tien van ons westers-materialistisch/rationeel ingestelde gedragspatroon. Maar het is zo belangrijk voor zowel degene die de ramp concreet overkomt als voor diens dierbaren om de gevoelens te delen die het wederzijds oproept. Het lucht zo op. En het werkt zo helend. Vriendin Marry zegt hierover:

‘Het was trouwens niet zo dat je helemaal geen aandacht had voor andere dingen. Het lag ook wel aan mijzelf, bedenk ik me nu. Je zult ongetwijfeld gevraagd hebben: hoe gaat het met jou, ongetwijfeld, maar dat ik me soms bijna verlegen voelde om te zeggen: het gaat goed. En een soort onhandigheid… en ook wel van: ja waar hebben we het over, als jou zoiets overkomt… dan zit ik te zeuren over iets van mijn werk of zo… Maar dat is mijn eigen gevoel. Daar ben ik sowieso gevoelig voor. Dus dat was dan niet dat ik het gevoel had dat jij er geen aandacht voor zou hebben. Ik denk dat je er wel naar vroeg, maar dat ik er heel weinig gebruik van maakte.’

Ik vermoed dat dit bij meer van mijn vriendinnen zo was. Ik had naast jou een uitlaatklep nodig. Want ook mijn leed leek bij het jouwe in het niet te vallen. Althans zo voelde ik het. Dat was overigens, net zomin als van mij naar Marry, nooit jouw suggestie.

 

Uit hoofdstuk:  Aanpassingen en ergernissen

Rolstoelergernissen

De ergernissen stapelen zich bij mij op. En ik hou ze voor me, althans in woord en gebaar. Mijn gezicht spreekt ongetwijfeld boekdelen en na bijna 20 jaar ken je elkaar wel. Ik schik steeds meer in. Letterlijk en figuurlijk. Letterlijk in het huis zelf. Slalommend jouw rolstoel ontwijkend, die plotseling wel overal lijkt te zijn. Ik trek me, naarmate jouw zelfstandigheid door alle hulpstukken toeneemt, wel meer terug in mijn eigen kamer. Maar ik hoor je overal. Dat is niet jouw schuld. Niks is trouwens iemands schuld. Dat is een van de frustrerende zaken. Wij moeten zelf met dit ‘akkevietje’, zoals jij de ramp af en toe noemt, uit de voeten. Wat heeft de Nederlandse taal toch een boel uitdrukkingen die alleen maar door een niet-gehandicapte verzonnen kunnen zijn. Zo zouden we af en toe allebei ‘t liefst het hazenpad kiezen, de benen nemen of zover willen lopen als we land zien. Maar we zitten hier. En we moeten en zullen er het beste van zien te maken.

Ik schik me ook figuurlijk in. Eerst gaat het om jou. Dan kom ik. Niet dat jij daar om vraagt. Letterlijk vraag je zelden iets. Maar ik voel na 20 jaar feilloos je behoeftes. Zowel de psychische als de fysieke. Of dat nou zo goed is voor jou of voor mij? Terugblikkend waarschijnlijk niet. Maar: we doen wat we kunnen. Jij ontziet mij ongetwijfeld ook. Door nooit hardop te klagen of te zeuren. Maar we houden elkaar voor de gek. En gelukkig barst af en toe eventjes de bom en kunnen we bij elkaar uithuilen.

En dan die vermaledijde rolstoel op zich. Dat kek uitziende, als uit een mecanodoos opgebouwd rood-blauwe voertuig, genaamd ‘Swing’ – de bedenker van dergelijke namen moet een sadistische inslag hebben – dat toch evengoed een meter in doorsnee is, exclusief jouw lichaam erin, blijkt een piepend, immer geluidmakend monster. Dat je overal in huis hoort.

En als we er mee naar buiten zijn geweest, heeft het ook nog vuilafgevende banden. Kan me niet herinneren dat in het RCA aan dat soort bijkomende zaken van het ‘rolstoelbewonen’ -nog eentje voor in de ‘na-de-ramp-vocabulaire’ – ook maar één woord is vuilgemaakt. Je moet dus eigenlijk twee rolstoelen hebben: een voor buiten een voor binnen. Want iedere keer die wielen reinigen is een baantje op zich. Maar je krijgt er uiteraard maar één vergoed. En die krengen zijn duur.

En dan de Amsterdamse stoepen… normaal bewogen we ons daar slingerend langs de hondenpoep overheen. Maar de te smalle trottoirs en de zich daarop bevindende uitstallingen van de middenstand bieden voor een dergelijke manoeuvre met een rolstoel te weinig plek.

En zo arriveren we op een middag dat we weer eens een poging doen om de grauwsluier die over ons leven is gevallen wat op te lichten, in eetcafé Rosereijn. Jij hyperventilerend van de spanning, ik van onderdrukte ergernissen over het afgelopen parcours, nemen we plaats aan een ronde tafel, waar jouw rolstoel – godlof – onder past. We kijken elkaar aan en constateren dat we het gehaald hebben. En dat we hier in elk geval goed kunnen binnen komen en zitten. We bestellen wat, jij geen al te groot glas drinken, anders moet je weer zo gauw plassen en… nee dat kan niet buitenshuis. Vol goede moed beginnen we aan een welverdiende lunch. En dan ruik ik opeens hondenstront. Ik kijk onder mijn schoenen. Niks. En dan tot mijn afgrijzen, zie ik dat aan een van jouw rolstoelbanden poep zit. Ik kan wel door de grond zakken van schaamte en tegelijkertijd maakt zich een haast niet in te houden woede van mij meester. “Er zit gvd hondenpoep aan je wielen,” sis ik. Je verslikt je haast en mijn woede smoort alweer in de kiem omdat mijn hart zich wederom meldt met de boodschap dat jij dit niet kan helpen; dat jij er bovendien niks aan kan doen om die stront te verwijderen en vooral dat laatste natuurlijk vreselijk vindt. Weer iets dat ik moet fiksen. Ik aai over je bol, sta zo kalm als ik kan op, loop naar de barman en leg kort uit wat er loos is. Ik begeef mij naar de toiletten en probeer vervolgens in meerdere etappes met wc-papier de banden van de ergste poep te ontdoen. Een mij aangereikte oude natte lap helpt beter. Het is gelukkig niet zo druk en andere bezoekers hebben er, geloof ik, geen erg in. De barkeeper is een schat. Hij ziet ons leed en biedt aan om de inmiddels koud geworden omeletten gratis van nieuwe te voorzien. We accepteren. Ontroerd door dit niet al te vaak voorkomende medeleven van een Amsterdams medemens. Terwijl we beiden het liefst dat hazenpad hadden… enfin. De vloer blijkt poeploos gebleven. Dat is dan weer een zegen vanwege die diepe profielbanden… Dat wordt thuis wel leegschrapen. En door wie? Juist!

 

Fragment uit hoofdstuk: Verboden toegang. Achter de geraniums

Omdat het zo lastig, vermoeiend en soms vernederend is om je als gehandicapte door Amsterdam te begeven, zitten volgens ons veel lotgenoten achter de geraniums. Een volstrekt onzichtbare doelgroep, waardoor de gezonde medemens niet wordt geconfronteerd met het feit dat je leven er in één oogopslag totaal anders uit kan komen te zien. Gewoon, door een obstakeltje, of plots ontstaand lek in een ader in je hoofd. Maar: economisch gezien een vergeten doelgroep, want stel je eens voor dat al die invaliden gewoon overal in de horeca terecht konden. Na de investering in extra ruimte, hogere tafels, bredere deuren en invalidentoiletten, zou het storm lopen, daarvan ben ik overtuigd. Stel je voor dat ontwerpers en ondernemers zich zouden toeleggen op ontwerpen en verkopen van kleding voor invaliden. Een rits als gulp is volstrekt uit den boze. Je kunt met één hand geen rits bedienen. Je bent als man of graag broekdragende vrouw dus gedoemd om de rest van je leven in trainingsbroeken of jurken rond ‘te lopen’. Later ontdek ik op de webshop van Neckermann een soort spijkerbroek met elastiek in de band, die je na enige oefening zelfstandig omhoog en omlaag kunt doen op het toilet.

Toiletbezoek een ramp

Over toiletten gesproken… Niemand realiseert zich dat iemand met een eenzijdig functionerend lijf best zelfstandig naar het toilet kan gaan, mits er twee op hoogte verstelbare beugels naast hangen en de pot verhoogd is. Een gewoon toilet is volstrekt onbruikbaar voor een eenzijdig verlamde. Diarree? Voor een valide iemand al een ramp, maar voor een invalide betekent het tot aan je nek in de stront zitten omdat je het toilet of niet haalt of meestal: niet kán gebruiken. Twee keer is ons dat overkomen. Jij moet een nieuw paspoort. In het stadhuis duurt het even voordat dat geregeld is. Opeens zeg je dat je erg nodig moet poepen. Je wilt per se snel naar huis want het invalidentoilet hier is niet zoals in het revalidatiecentrum of thuis. Ik raak geïrriteerd want dan moeten we de aanvraag afbreken, naar huis racen en dan een andere keer weer terug. Ik vraag je om nog even vol te houden. “Ja maar Mopje, ik moet echt heel erg nodig. Dadelijk doe ik het in mijn broek.” Ik dwing het toch af om te wachten tot we het paspoort hebben. In de parkeergarage, bij de overstap van de rolstoel naar de auto kun je het niet langer ophouden. Je zit tot aan je nek in de poep. Echt verschrikkelijk. Ik voel me ontzettend schuldig. We snellen naar huis en daar moet ik je van top tot teen verschonen. Eerst alle poepkleding uittrekken (waar moet ik die zolang laten??), jou onder de douche zetten en aankleden. En oh wat voelen we ons allebei beroerd door dit decorumverlies. Jij gaat daarna naar je kamer en ik ben wel even zoet met het verwijderen van de ergste poep uit de kleding want dat kan zo niet in de wasmachine. Later gebeurt iets dergelijks nog eens, nadat we na een restaurantbezoek op de terugweg verdwalen. Het is zo vernederend… voor beiden.

Dan maar incontinentieluiers preventief aandoen voor we ergens heengaan? Maar de apotheker wil geen garantie geven of de incontinentieluiers ook goed ontlasting kunnen opvangen. Dus jij bent er niet echt gerust op en je maakt je steeds weer zorgen als we ergens heen gaan.

Van veilige haven tot onneembare vesting

Ons appartement blijkt van een veilige haven een haast onneembare vesting geworden. Er zitten welgeteld vijf deuren tussen jou en de straat. De voordeur van ons appartement op de vierde etage. Dan de lift. Vervolgens beneden de deur naar de gemeenschappelijke berging. In de berging de deur naar onze privéberging, waar de scootmobiel staat. Dan de tussendeur naar de hal van het appartementencomplex en dan is daar de deur naar buiten. Deuren die jij op een of andere wijze open moet zien te krijgen met één arm en balancerend op een been en orthese, een eenzijdig verlamd lichaam meezeulend. Of zittend vanuit je rolstoel of scootmobiel. Het werkt demotiverend om zelfstandig naar buiten te gaan want om daar te komen is hondsvermoeiend en het duurt eindeloos lang. Of ik moet altijd met je mee. Het woord ‘eventjes’ heeft zijn betekenis verloren. Is uit onze vocabulaire geschrapt. Een gegeven waar jij het meeste last van hebt en zal houden. En de rolstoel beleef je als zeer claustrofobisch.

Inrichting openbare ruimte

Zullen we het eens hebben over de inrichting van de openbare ruimte? Als niet-gehandicapte kun je je ergeren aan de vele uitstallingen die de plaatselijke winkeliers op de stoep deponeren. Maar als invalide kun je er gewoon niet of nauwelijks langs met je scootmobiel of rolstoel. Hetzelfde geldt voor de achteloos neergezette fietsen, te hoge stoepranden, het vrijwel ontbreken van op- en afritten. Op de straat met je scootmobiel is ook geen optie. Je bent een sta-in-de-weg voor de fietsers en auto’s. Gebel, geroep en getoeter is je deel.

In een mail aan een vriendin, Sanne, schrijf je hierover:

‘Ik kan na drie jaar moeiteloos de conclusie trekken dat Amsterdam de kloterigste en intolerantste stad van Nederland is voor rolstoelgebruikers. Ik ben zo vreselijk helemaal klaar met dat chagrijn hier en die grote bekken.’

De vriendin reageert met:

‘Amsterdam is inderdaad een pokkenstad voor een rolstoeler. Ik heb ‘t een keer geprobeerd met een vriend, die had dan nog zo’n heel sportief licht wendbaar stoeltje waar hij zelfs mee kon dansen en hij had een hele hoge tolerantie voor rolstoelonvriendelijkheid, maar die werd helemaal gek van de hindernissen en van de houding van Amsterdammers.’

Oh wat ben je toch mobiel met je scoot… zo’n fijne uitvinding. Kun je toch heerlijk overal heen? Behalve dat een voor jou leuk uitstapje naar de Lindegrachtmarkt je niet in dank wordt afgenomen. Je moet voortdurend ‘sorry mag ik er even langs’ roepen of de toeter gebruiken, waar de meeste mensen verstoord van omkijken. Toch moet het, want voordat je er erg in hebt ram je iemands achillespees. Een keer krijg je van een vent ‘lazer op met je kutkar, debiel’ toegeroepen. Staaltje van Amsterdamse gezelligheid… Dan maar niet meer naar de markt. De Albert Cuyp is veel breder, maar dus ook voller met mensen en bovendien veel verder weg. En eerlijk gezegd vind ik, hoe lullig ook voor jou, dat het ook gewoon geen doen is om je met een scootmobiel of rolstoel in een mensenmassa te begeven. Ik erger me ook altijd aan mensen die zo nodig rond spitsuur met kinderwagens het openbaar vervoer ingaan. Jij trekt je daar echter in het geheel niks van aan. Wat ik enerzijds prijzenswaardig vind, maar soms ook onhandig. En niet helemaal ongevaarlijk. Te vergelijken met iemand die in de auto een andere automobilist ’de vinger’ geeft. Je weet maar nooit hoe gepikeerd die ander gaat reageren. Maar ja, ik zie inmiddels overal voetangels en klemmen.

We gaan nog even door met het schetsen daarvan. Bij het boodschappen doen bij Albert Heijn is de kassa waar je met een rolstoel of scootmobiel langs kunt, uiteraard, niet altijd open.

Ontoegankelijkheid huizen van vrienden en de horeca

Huizen van vrienden en kennissen blijken ook niet meer toegankelijk. Daar hebben we helemaal niet bij stilgestaan en zijzelf ook meestal niet. Behalve Milembe, die met haar gezin in een appartement met lift woont, woont iedereen te hoog. En alle huizen hebben wel een of ander obstakel. Bel-etage met stuk of zes treden voor je aan de voordeur bent. Of met veel moeite wel de drempel van de voordeur kunnen nemen maar binnen geen draairuimte hebben. De vrienden zijn allemaal bereid om het gehele meubilair te verschuiven of tot hijsen over te gaan. Of anderszins je toch binnen te krijgen. Zoals Pieter Jan en zijn vrouw die ons op de begane grond voor het eten uitnodigen, terwijl de keuken en eetruimte in het souterrain is. Met de vierpoot lopend naar binnen is af en toe een optie, maar hondsvermoeiend. Kortom: na verloop van tijd spelen ontmoetingen met anderen zich altijd bij ons thuis af of in Grand Café Amsterdam bij het Westerpark, of bij mooi weer op het terras van Het Blaauw Hooft.

Voor de kleinere horecagelegenheden geldt merendeels hetzelfde verhaal. Behalve bij de grote hotelketens zoals het Marriott of American bij het Leidseplein, kunnen we niet of moeizaam in kroegen of restaurantjes terecht. Rosereijn op de Haarlemmerdijk vormt een uitzondering en daar zijn we dan ook regelmatig te vinden als we uit eten gaan.

Bioscoopbezoek in The Movies, onze dichtstbijzijnde bioscoop, is mogelijk. De hellingshoek waarmee jouw rolstoel in de zalen moet worden geduwd levert je helaas de nodige angsten op. Het lukt je niet om erop te vertrouwen dat mensen je letterlijk niet laten vallen. Het vervolgens met een rolstoel naast de rijen zitten is ook niet echt gezellig, want de zitting van je rolstoel is hoger dan die van een bioscoopstoel. En een transfer van rolstoel naar zitplaats is een lastige. Er is weinig manoeuvreerruimte. En ook hier is toiletbezoek onmogelijk.

Jij bent een grote liefhebber van kleinkunst. Maar met name De Kleine Komedie waar we veel te vinden waren, blijkt helaas volstrekt ontoegankelijk met een rolstoel. Je zou in de hal gehesen moeten worden. Na dit een keer geprobeerd te hebben, laat je het verder voor gezien. Je vindt het te eng en vernederend, dat gesjouw.

Luilekkerland met tralies ervoor

De neiging om het op te geven en je maar binnen op te sluiten is zeer voorstelbaar. Het is gewoon niet te doen zo! Die voortdurende confrontatie met wat je allemaal niet meer kan in het gewone leven buiten. Je voortdurend een sta-in-de-weg weten. En dan de ervaring dat Amsterdam een Luilekkerland is geworden waar jij, en wij als stel, van buitengesloten zijn. We staan tevergeefs aan een groot traliewerk te rammelen, met al die treden, opstapjes, nauwe doorgangen, ontoegankelijke bioscoopzalen, ontbrekende liften, te kleine horeca, ontbrekende toiletvoorzieningen en ontoegankelijk openbaar vervoer.

Je als invalide in het gewone leven begeven is derhalve nauwelijks mogelijk. En nu het ons zelf overkomen is snap ik wel waarom je in de Amsterdamse binnenstad op straat, horeca of openbare gelegenheden nauwelijks of geen invalide mensen ziet. Vriendinnen Marry en Uschka zeggen hier respectievelijk over:

‘Ik heb me toen wel gerealiseerd dat de stad als je gezond en wel bent en je overal kan komen fantastisch is, maar als je maar iets mankeert ben je in de aap gelogeerd. En dat vond ik eigenlijk ook wel ongelooflijk, dat dat bestaat. Nog steeds is dat zo. Het is alleen nog maar erger geworden. En bij vrienden konden jullie ook niet meer over de vloer. Die waren er ook niet op toegerust.’

‘Niet door de straten kunnen. Dat heb ik ook van dichtbij meegemaakt. Al die obstakels. Die hele exercitie voordat Bauke buiten jullie appartement stond. Die stoepjes. Alle fijne dingen waren niet bereikbaar. Het is inmiddels nog veel erger geworden.’

Hoezo, vakantie?

Vakantie… hoe doe je dat. Zonder dat ik nog eens extra belast word. Maar een ander erbij inschakelen lijkt ons nog erger. We gaan een midweek naar Scheveningen en betrekken een fantastisch ingerichte invalidenkamer in het Kurhaus. Aan de zeekant. De scootmobiel past in de liften en kan ook gewoon op de kamer aan het stopcontact staan. Het is heerlijk weer en we ‘wandelen’ – dat wil zeggen jij op de scoot en ik pogend ernaast te lopen zonder in een looppas of slakkengang te vervallen – over de boulevard, de pier en de havenhoofden. We kunnen lekker buiten dineren op het grote Kurhausterras met uitzicht op de woelige baren, waarop we twee jaar eerder nog zelf zeilden.

En we proberen het écht. We proberen door de grauwsluier te kijken van het niet lekker samen hand in hand kunnen lopen, van de pijn van het zien van al de zeilboten waar wij nooit meer op zullen zitten, van het zien van de meewarige blikken van passanten. Maar het is bijna onmogelijk om alles wat niet meer kan en zo verdomd onhandig is te negeren, laat staan te accepteren. We zitten samen op de Scheveningse Pier op een van de ‘eilanden’ in een restaurant. Ik kijk naar buiten, naar de zee onder ons; de achter ons zeilende jachten, naar het Kurhaus waar we zo goed terecht konden. Maar ondanks de dagelijkse dosis antidepressiva voel ik me leeg en koud. Bedenk ik me of het niet veel beter is om straks jou in de scootmobiel en mijzelf erbij de zee in te storten.

 

Leesfragment uit Hoofdstuk Emigratie naar Fryslân.

Op zaterdag 15 juli 2006 laden Uschka en Maarten in hun Ford Transit: jouw sta-opstoel, de tv, een bijzettafeltje, een koffer met wat spullen voor jou en mij en je laptop. In onze Renault Kangoo komen naast de scootmobiel en je rolstoel, onze lieve poezen, elk in hun eigen mandje, en jijzelf, de emmer met onze twee goudvissen tussen je benen. Die weten dan nog niet dat ze in het voorjaar 2007 een mooie grote vijver gaan bewonen. Samen met een stuk of 15 nog aan te schaffen nieuwe familieleden. Een verhaal apart zijn onze poezen. Ze hebben nooit meer gezien dan ons 26 meter lange appartement en een postzegel van een balkonnetje. Ze mogen uiteraard nog niet naar buiten. Eerst een week binnen. Aan het huis wennen. Ze zijn behoorlijk in de stress. We besluiten dat de bijkeuken naar de achtertuin hun honk wordt tot na de verhuizing. Een grote bank van mij, waar ze altijd op slapen, zetten we daar neer. Grand foulard erover heen voor het betere verstopwerk, bakjes eten en drinken, de kattenbak. Niks meer aan doen. Deur dicht en niet meer storen. Jij maakt een briefje met in viltstift groot erop: VERBODEN TOEGANG – HIER RUSTEN ONZE POEZEN!

Inburgeren

En dan wonen we daadwerkelijk in Midlum. Onze stemmingen stijgen en dalen soms op adembenemende wijze. We proberen een nieuw leven op te bouwen. Samen en ieder voor zich. En dat is goed. Dat was het plan. En jij en ik genieten oprecht van onze nieuwe omgeving. Zowel van het huis en de tuinen als van de bevolking die evident aangenamer, toleranter en socialer is dan waar we vandaan komen. Het is veel meer dan een verhuizing geworden. Het is een emigratie. Totaal andere horizonten. Totaal andere manier van leven. Dat was ook hard nodig. Als we er net een week wonen maken we mee dat onze buurvrouw Corrie haar jongste dochter van 36, moeder van twee nog jonge kinderen, verliest aan een hartstilstand. Een vriendin van haar komt haar dood bij ons aanzeggen. Ontroerend en indrukwekkend. Ik koop een mooie kaart voor haar en ga condoleren.

En ook hier, net als de eerste zomer na het herseninfarct, beleven we een geweldige zomer. We zijn bijna voortdurend buiten, terwijl binnen nog her en der wordt geschilderd. Vrienden komen en gaan en genieten mee. Kunnen blijven logeren. Maar natuurlijk hebben we onszelf, onze karakters, ons verleden meegenomen. De glazen blijven halfleeg, niet halfvol. Daar helpt geen verruimd uitzicht, meer ruimte, meer lucht, tegen. Ook hier duiken de paniekaanvallen op. Ook hier bekruipt je regelmatig het gevoel van ‘is that all there is?’ In een mail aan een vriendin schrijf je:

‘We zijn sinds 19 juli (de grote overstap) gesetteld min of meer op het nieuwe adres in Harlingen; er staat hier en daar nog een doos, maar alles begint te lijken op onze woonambitie alhier. Echter qua emoties??? Ik weet niet hoe ik het noemen moet. Zijn de kruitdampen aan het optrekken of is het stof aan het neerdwarrelen. Feit is wel dat ik langzaam (veel te langzaam naar mijn zin) dat gevoel begin kwijt te raken van “is that all there is”. Het hele plan om te verhuizen is veelvoudig goed doorgenomen met de mij behandelende medische experts tegen de constant opdoemende depressie. Voordeel van zo’n geschoolde steun in de rug is dat je zeker denkt te weten dat de boel grondig aanpakken en helemaal opnieuw beginnen in een niet met herseninfarct besmette omgeving een goede beslissing is. Echter als de kogel letterlijk door de kerk is en je zit in die geromantiseerde nieuwe omgeving, dan valt alles je tegen en dan wil twijfel nog wel eens gaan woekeren in mijn toch al wankele systeem.

Hetzelfde verhaal opperde ik onlangs bij een goede vriend die samen met zijn vriend vijf jaar geleden een prachtig begane grond woning in de rivierenbuurt van A’dam inruilde voor een beeldschone villa in een wat duurdere omgeving van zuid oost. Echt een droomvilla met een achtertuin grenzend aan een vennetje wat in Amsterdam op zich al zoeken is.

Hij vertelde mij dat hij twee maanden met de gordijnen dicht niet van zijn slaapkamer af geweest is zo depressief als hij was geworden van de beslissing en die verhuizing. Toentertijd geen woord van hem daarover gehoord, maar nu gaf hij toe dat hij er twee jaar over gedaan heeft zijn nieuwe huis te leren waarderen. Zo lang was ik niet van plan erover te doen. Maar voorlopig is het allemaal een wankele bedoeling in het hoofd.’

Omdat de onvrede met je bestaan vooral van binnen zit. In jou zit. Dat komt ook weer in de psychotherapieën die je hier volgt naar voren. De kerngedachte: ‘het is nooit goed genoeg’ en het kleine kind dat in zijn jeugd de eigen behoefte liet staan om zijn moeder te pleasen, denderen met grote regelmaat door je hoofd en je gedrag. Eigenlijk is je grootste behoefte om van dit alles af te zijn. Niet – zoals je vroeger moest – weer door te bufferen tot je erbij neervalt. Maar als we het daarover hebben, zeg je dat je het zo onsportief tegenover mij vindt, dergelijke gedachten. Laat staan dat je de daad bij het woord zou voegen. Zoals al eerder geconstateerd blijft het grote probleem dat je je volstrekt opgesloten voelt in je rolstoel en in je eigen lichaam. Alsof je in een gevangenis zit. En ja, dat is deels een perceptie, maar vergis je niet: het is ook de naakte gruwelijke waarheid. Je zit ook echt opgesloten in dat ding of de scootmobiel. Je kunt je nauwelijks anders voortbewegen. Lopen met de vierpoot is vrijwel ondoenlijk. Je ‘goede’ kant wordt door alle transfers al voortdurend overbelast, hetgeen in de loop der jaren steeds meer pijn oplevert, en lopen betekent nog meer belasting van je goede kant. Je moet hoe dan ook die ‘halve mud aardappelen’ aan verlamd lijf meezeulen. En dat lijf zelf voelt ook zo claustrofobisch aan, zeg je. Eckhart Tolle die je hoog acht, zegt dat je iedere situatie die je tegenkomt en waar je niets aan kunt doen, het beste kunt laten voor wat het is. Zonder weerstand. Omdat weerstand nog meer weerstand oproept en dat hopeloze, kwade, verdrietige gevoel oplevert. Als je daarentegen de weerstand loslaat, dan verliest het zijn kracht. Het is zoals het is. Dan kunnen er twee dingen gebeuren: de situatie continueert, maar het deert je niet meer, of de situatie verandert. Zoals in het sprookje waarin de prinses met weerzin toch de kikker kust waarna die in een mooie prins verandert. Küss den Frosch’ noemt ie dat. Maar ik vrees dat jouw ‘Frosch’ nauwelijks te accepteren is als iets wat nu eenmaal is, laat staan dat het in een mooiere situatie zou kunnen veranderen.

 

Leesfragment uit hoofdstuk: Euthanasieproces

Het startschot is gegeven. Het gaat nu dus echt gebeuren. Het proces om jou een zoete dood te bezorgen. Niet lang daarna vindt het gesprek bij ons thuis plaats. Ik mag erbij zijn. Tien minuten voor het einde vraagt de arts of ik het vertrek wil verlaten. In een update aan vrienden en familie beschrijf ik het bezoek van de SCEN-arts en omdat we ‘geen hobbels verwachten, maar je weet maar nooit’ geef ik ook alvast de datum waarop Bauke het euthanaticum in ontvangst zal nemen en nuttigen.

Maar die hobbels blijken er wél. Want we krijgen, omdat er nog steeds een levensplicht door de Staat der Nederlanden wordt opgelegd, door deze ‘aimabele’ arts die ons helemaal niet kent, meegedeeld dat hij euthanasie niet nodig vindt. Omdat hij na het gesprek een heel andere indruk gaf door te zeggen: “Ik hoop dat ik jullie kan helpen,” zijn wij én de huisarts totaal verbijsterd. Die gaat ogenblikkelijk bellen met de KNMG[7] om zijn juridische positie te checken als hij het toch op eigen initiatief zou doen. Dat blijkt, hoewel binnen de wet toegestaan, af te raden. Maar een tweede SCEN-arts is wel mogelijk!

Ik hoop dat niemand ooit hoeft mee te maken hoe het voelt om als vurigste wens de dood van je allerliefste te hebben. Dat is, bleek achteraf, zo’n twee weken het geval. We zweven in een niemandsland. Onze gevoelens staan tijdelijk op slot. We kunnen niet verder met afscheid nemen. We spreken over alternatieven. De levenseindekliniek die net is gestart wellicht? “Hoe dan ook wil ik dit leven niet langer,” roep je op een middag vertwijfeld. “Ik rijd desnoods met mijn scootmobiel de Noorderhaven in. ’s Nachts want anders word ik nog gered ook.” Mijn hart draait zich om in mijn lijf. Zo goed kan ik me voorstellen, wéét ik hoezeer je er aan toe bent om dit leven, dit lichaam te verlaten. En ik zeg je toe dat, als het niet anders kan, ik je zelf zal helpen. Hoe dan ook. Al zal ik ervoor de gevangenis in moeten. Stervensplicht is er niet (gelukkig!) maar levensplicht bestaat hier wel.

Graag deel ik in dit verband wat fragmenten uit een artikel uit blad Relevant, Tijdschrift van de NVVE, nr. 4 van november 2017. Rubriek opinie, door Leo Enthoven,

‘Zelfbeschikking is geen egoïsme´.

Zelfbeschikking speelde een belangrijke rol toen de Nederlanden zich in 1581 losmaakten van de Spaanse overheersing. Een van de hoekstenen van het Plakkaat van Verlatinghe van 26 juli 1581, dat deze breuk vastlegt en vaak wordt beschouwd als eerste Nederlandse grondwet, was volgens de opstellers de ´aengeborene vryheyt´van burgers.

Bij het naar eigen inzicht inrichten van het leven staat zelfbeschikking niet ter discussie. Integendeel. Iedereen vindt aanmoediging tot zelfontplooiing en opbouwen van een zelfstandig bestaan de gewoonste zaak van de wereld (…) De ´aangeboren vrijheid´ van onze voorvaderen uit 1581 is onze huidige zelfbeschikking de eigen regie te voeren, met ongekende mogelijkheden van de wieg tot het graf. Met uitzondering van die ene stap: over onze zelfgewilde, milde dood hebben we bitter weinig te vertellen. Het uitblijven van de erkenning dat ons levenseinde past binnen ons zelfbeschikkingsrecht drijft honderden mensen tot gruwelijke zelfdodingen (2016: 215 treinsuïcides en 147 ´van hoogte´, melden CBS-statistieken).’

Van Enthoven eindigt zijn betoog met:

´Zelfbeschikking doet geen afbreuk aan de waarde die onze samenleving toekent aan het recht op leven. Maar dat recht op leven is geen plicht. Nergens is de plicht tot leven vastgelegd. De drang om te (over)leven is een van de krachtigste drijfveren van de mens. Bijna niemand zal de dood lichtvaardig omarmen (…) Als sociaal wezen zal elk individu over het zelfgewilde levenseinde met geliefden en naasten willen overleggen. Maar uiteindelijk beslist dat individu. Niet geliefden, niet andere naasten, niet God, niet de kerk, niet de dokter, niet de staat.

Mensen dat zelfbeschikkingsrecht onthouden is noch moreel noch juridisch te rechtvaardigen. Zelfbeschikkingsrecht verdient een eigen wet.`

Onze persoonlijke ervaring en mening is en blijft dat oorzaken voor ondraaglijk lijden een belachelijke en arbitraire manier zijn om te kunnen besluiten of iemand ja of nee de middelen kan krijgen om op menswaardige wijze uit dit leven te stappen. Lijden is een persoonlijke ervaring die niet te objectiveren en de kwalificeren is door anderen. Zoals Piet Winkelaar schrijft in een artikel: ‘Taboe voor hulpverleners? Lijden als sleutel tot bewustwording’ in SPH-tijdschrift SOZIO:

‘Pijn en verdriet zijn ervaringen. Het zijn geen dingen of op zichzelf staande verschijnselen. Ze zijn nauw verbonden met de persoon die ze meemaakt, die ze beleeft. Het zijn individuele, subjectieve ervaringen en in die zin moeilijk te objectiveren. Dergelijke ervaringen laten zich niet gemakkelijk onderscheiden en afbakenen, omdat ze niet los te zien zijn van vorige ervaringen. Een ervaring wordt pas ervaring als deze met andere en vroegere ervaringen in verband wordt gebracht en van daaruit betekenis krijgt, zoals Dilthey al betoogde. Iedere ervaring is een geïnterpreteerde ervaring. Wat ik wil zeggen is, dat ervaringen van lijden en pijn nauw gekoppeld zijn aan het individu en uitermate afhankelijk zijn van wat die persoon heeft meegemaakt. Bij het tot stand komen van de manier waarop pijn wordt ervaren, spelen ook allerlei andere factoren binnen en naast de persoonlijkheidsstructuur een rol. Zo is de bouw van het lichaam van belang, de gevoeligheid van het zenuwstelsel en de manier waarop in het verleden met lijden en verdriet is omgegaan. Iemand die geleerd heeft af te zien, kan in de regel tegenspoed beter verdragen dan iemand die altijd in de watten is gelegd. Topsporters blijken vaak gemakkelijk pijn te kunnen verdragen of deze soms amper te voelen. In culturen worden lijden en verdriet verschillend geïnterpreteerd. Hulpverleners dienen dan ook niet teveel hun eigen geïnterpreteerde ervaringen van pijn en verdriet in het werk tot uitgangspunt te nemen. In iedere ervaring resoneren alle vroegere ervaringen mee en speelt de hele geschiedenis van de eigen persoon een cruciale rol.’

Leesfragment uit hoofdstuk: Voor wie ervoor open wil staan.

Een pleidooi

Pim van Lommel in het voorwoord van het boek Het spirituele brein uit 2008, van de Canadese neurowetenschapper Mario Beauregard en wetenschapsjournaliste Denyse O’Leary:

‘Het lijkt steeds minder waarschijnlijk dat bewustzijn zuiver en alleen een product kan zijn van de hersenen, niet alleen vanwege het feit dat gemeten activiteiten in de hersenen niets zeggen over de inhoud en de gevoelens en gedachten, maar ook omdat bewustzijn in staat is de anatomie en de functie van de hersenen te veranderen (neuroplasticiteit, placebo) en omdat is aangetoond dat bewustzijn, onafhankelijk van hersenfuncties, ervaren kan worden (bijna-doodervaringen).’

Voordat ik verder ga over mijn ervaringen voor- en na Bauke’s over-lijden en welke zaken daarin een belangrijke rol speelden, wil ik een pleidooi houden.

Mensen die nergens in ‘geloven’, dat wil zeggen: die pertinent geloven dat dit aardse leven het enige leven is wat wij hebben, vraag ik om toch met een open instelling dit hoofdstuk te lezen. Probeer de ongetwijfeld opkomende reserve, scepsis, afweer, of misschien zelfs afkeer, te bedwingen. Ervan uitgaande, ook gezien mijn achtergrond, dat ik niet een van de domsten ben. Lees door. Neem waar dat ik niet schrijf vanuit een religieus perspectief, niet vanuit een van die – door mensen opgezette – godsdienstige systemen die vooral bedoeld zijn om onze vrije wil in te tomen en om macht over ons uit te oefenen. Alles wat u hier gaat lezen, en ik hoop van ganser harte dat u doorleest, zijn waarnemingen vanuit een gebied in mij dat ik vóór december 2012 – ik was toen al 61 – niet kende. Van het een op het ander moment, terwijl ik een bepaalde tekst las,[8] werd ik me bewust van een groots geheel waarvan ik onderdeel uitmaak. Ik dácht dat niet, ik vóelde het. Met heel mijn wezen. Ik, die ook ‘nergens’ in geloofde, werd geraakt op een manier die ik absoluut nog nooit eerder meemaakte. Tranen liepen over mijn wangen van ontroering. Ik hoorde mijzelf fluisteren: “ik ben thuis.” Ik voelde mij gezien. Innig geliefd. En ik las verder en verder en ik ontwaakte. Ik kan het niet anders noemen. Dat gevoel is nooit meer weggegaan. Ik herinnerde mij, leek het, wie ik eigenlijk ben: een geestelijk wezen in een menselijk lichaam. Na die herkenning volgde een zeker weten dat er wel degelijk ‘veel meer is tussen hemel en aarde, Horatio’ dan voor het blote oog zichtbaar is. Niet alleen ná, maar ook vóór dit leven. Door vele boeken[9] te lezen van zowel wetenschappers uit verscheidene relevante disciplines als van ervaringsdeskundigen, werd en wordt mijn innerlijk weten alleen maar bevestigd. Een belangrijk basisboek was en is Eindeloos bewustzijn.[10] Het volledige onderzoeksverslag plus zijn conclusies en commentaar daarop uit 2007 van cardioloog Pim van Lommel, over de bijna-doodervaringen (BDE) van 344 mensen na een hartstilstand. Hij kon niet anders concluderen dan dat er sprake is van een eindeloos bewustzijn. Dat los van ons lichaam, ook na de dood, voortleeft. Dat maakte het voor mij extra aannemelijk dat er een leven na en naast dit aardse bestaan is. En waarschijnlijk ook een god. Ik huiver nog steeds om dat woord met een hoofdletter te gebruiken als aanduiding van een almachtige, liefhebbende energie, omdat ik die benaming onwillekeurig nog steeds koppel aan religie.

Ook voor die mensen die wél in een hiernamaals en in een van daaruit heersende en oordelende God geloven, hou ik een pleidooi. Vanuit religies met meer en minder strenge ge- en verboden, die door God, Jehovah, Allah bedacht en uitgevaardigd zouden zijn. Ook hen wil ik van harte uitnodigen om met een open instelling en open hart te lezen hetgeen ik in dit hoofdstuk beschrijf. Wij zijn, zoals in de Bijbel staat, niet alleen maar naar Gods beeld en gelijkenis geschapen, wij maken déél uit van God. De grote schepper die er altijd en eeuwig al was, wilde zichzelf manifesteren. Hij/zij/het (hoewel de albron geslachtsloos is, voor het gemak schrijf ik voortaan hij) wilde zichzelf kunnen ervaren. Dat kan alleen als je vergelijkingsmateriaal hebt. Daartoe explodeerde hij zichzelf (de oerknal, Genesis), daarmee het heelal scheppend en alles wat daar is, klein en groot. Deze albron/god schiep ook ons vanuit zichzelf en stuurde ons, goddelijke vonken, zijn kosmos in, naar miljoenen verschillende werelden. Dus niet alleen als mensen naar deze aarde. Zo kon en kan hij vanuit de ervaringen van die onnoemelijk vele zielen zichzelf ervaren en verder ontwikkelen. Hij vaardigde nooit verboden of geboden uit. Er is geen hel en verdoemenis en ook geen hemel anders dan die we zelf, goddelijke schepsels, creëren. Zowel op de aarde als in de geestelijke wereld. Wij zijn vormwisselaars. We leven honderden levens hier op aarde of/en op een andere wereld, om te ervaren wie we zijn. We wéten als ziel wel wie we zijn, maar we weten niet hoe het is om te zijn. In de geestelijke wereld is er geen mogelijkheid om dat intens te ervaren. Vandaar dat God ons, en daarmee zichzelf, als mensen de gelegenheid bood om in een vaste materie, in het vlees, te gaan. Te incarneren. Niet alleen Christus, een zeer hoogontwikkelde ziel, werd mens hier op aarde, wij eveneens. Hij kwam niet op aarde om een zogenaamde erfzonde van ons teniet te doen. Hij kwam op aarde om ons te tonen dat je na het sterven van je fysieke lichaam niet dood bent, maar verder leeft. En niet alleen voor eeuwig in een geestelijke wereld, maar dat je eindeloos vaak, zolang je wilt, als ziel terug kunt naar de aarde, of een andere planeet, om nieuwe dingen te ervaren. Je verder te ontwikkelen. Niet zijn kruisdood was relevant, maar het gegeven van zijn wederopstanding! Die relevantie is later uit het nieuwe testament gehaald. Omdat het de machtshebbers beter van pas kwam om de mensheid als slaafse volgelingen te kunnen mennen. Dreigingen met ‘straf van God’ als we iets deden of nalieten wat ‘God’ zogenaamd wilde, waren en zijn tot op de dag van vandaag zeer effectief. En brengt mensen zelfs tot het demoniseren – of erger – van andersdenkenden. Deze wijsheid haal ik voornamelijk uit de boeken Gesprekken met God (GMG)[11] door Neale Donald Walsch, een streng religieus opgevoede Amerikaan, die op een dag in 1994 merkt dat hij in een dialoog met God is beland. Er volgen drie boeken waarin God hem in een drie jaar durende dialoog uitlegt hoe alles werkelijk in elkaar steekt. Compleet met aardwetenschappelijke onderbouwingen. Grootste ‘geheim’: de evolutie gaat zoals natuurkundigen en biologen beweren, maar het is óók allemaal zo ontworpen door een hogere, intelligente, liefhebbende almacht. Én én dus. Niet óf óf. Onthullend, voor mij volstrekt aannemelijk, is ook dat hij na de Bijbel niet gestopt is met tegen ons te praten. Hij zegt hierover zelf in GMG: “De vraag is niet of ik nog wel met de mensen praat. Ik ben nooit gestopt met praten. De vraag is of er wel iemand luistert. Dat is heel iets anders!” Heerlijk om de woorden te lezen van een wijze, maar ook humoristische, liefhebbende, heilig in óns gelovende god. Die altijd onze vrije wil zal respecteren. Als soort en als individu. Ook hier kwam ik helemaal thuis. Tijdens het lezen werd ik zelfs direct door hem/haar aangesproken en stevig aangemoedigd om dit boek nu echt te gaan afschrijven. Dat uitgeven zou vanzelf gebeuren. Daarover hoefde ik me geen zorgen te maken. Waarvan akte!

Last but not least, nodig ik van harte die lezers uit die al langere of kortere tijd weten, of wellicht een sterk vermoeden hebben, dat we een eindeloos bewustzijn hebben. Onsterfelijke wezens zijn. En dat we hier op aarde verblijven om volledig te ervaren wie we zijn. Door levens lang in allerlei situaties en milieus te leven, als vader, moeder, man, vrouw, slachtoffer, dader, bakker, chirurg, musicus, wetenschapper, dief, moordenaar, egoïst, filantroop, rijk of arm, mooi of lelijk, ziek of gezond, goed of slecht. En hoe meer ervaringen we hebben opgedaan, levens hebben geleefd, hoe groter het collectief zielen wordt dat ook steeds meer hier op aarde zal ervaren dat we allemaal één zijn. En dat ‘de waarheid’ in het midden ligt. Door te leven in een dualistische wereld, ervaren we beide polen van iets dat in feite een geheel is. Dat zonder die twee polen niets op zichzelf staand kan bestaan. Er is immers geen licht zonder donker, geen goed zonder kwaad, geen warm zonder koud. Het yin/yang-teken, dat het vrouwelijke en het mannelijke in ons symboliseert, laat dat zo overduidelijk zien: elk essentieel anders, maar samen een geheel vormend. Die lezers die niet meer onbewust van hun ware grootsheid leven, maar zich tijdens deze incarnatie herinnerd hebben wie ze werkelijk zijn, roep ik op om dit ook zo veel mogelijk uit te dragen. Niet als missiewerk, ieder ontwaakt op zijn/haar tijd – of niet – maar door steeds meer vanuit dat perspectief naar uw leven en de wereld om u heen te kijken en dat niet te verloochenen. Want hoe meer mensen ontdekken wie ze werkelijk zijn, des te meer kans dat wij dan ook vanuit die eenheid en die wetenschap gaan leven en het zo eenzijdig op de materie ingestelde bestaan kunnen ombuigen naar een liefdevollere versie. Waarmee we kunnen voorkomen dat we opnieuw tegen een door onszelf veroorzaakte zondvloed aanlopen en net als na de ondergang van Atlantis, weer opnieuw moeten beginnen.

Over de auteur

Er zijn verschillende versies van mij. Dat wil zeggen: in de kern ben ik steeds dezelfde. Maar afhankelijk van waar ik mij bevind of met wie, voeren andere aspecten de boventoon.

In alle versies ben ik in ieder geval een vrouw, bouwjaar 1951. Een behoorlijk zelfstandig opererende, niet op haar mondje gevallen dame, met principes die ik ook hoog hou.

Bijvoorbeeld over de toestand in de wereld. Niet vanuit politiek oogpunt, dat systeem is een aflopende zaak. Van die kant valt weinig te verwachten, verstrikt als men is in de belangen van zoveel anderen die over het geheel genomen niet bepaald het beste voor hebben met de mensheid als geheel. Het economische uitbuitingssysteem is sterk verankerd. Maar: hoop doet leven…..

Nee, mij gaat het om de toestand van de mensheid. De staat waarin wijzelf verkeren. Het tempo waarin wij in dit Aquariustijdperk bereid zullen zijn om zelf het heft in handen te nemen, tot verandering in ons eigen gedrag en attitude bereid zijn. Door werkelijk in harmonie en vrede, zonder al die vooroordelen, met elkaar te leven.  Gewoon, in je wijk, met je buren, je gezin, je familie, je vrienden, je collega’s. En zo het globale bewustzijn dat we in wezen een geheel vormen, helpen bevorderen. Dat is erg moeilijk. De wereld te verbeteren door jezelf te verbeteren. Ik doe mijn best….. 

In alle versies van mijzelf ben ik een zangeres, docente en schrijver.  Zolang als ik me kan heugen zing ik. Vroeger kende ik alle Beatlessongs, Was sowieso een grote liefhebber van de 60-er 70-er jaren ‘Dawning of the age of Aquarius’ muziek. Woodstock en haar nazaten. Maar ook van kind af aan gek op klassieke muziek. Met name koorzang. Zing zelf al vanaf mijn 12e in allerlei koren. Vanaf 1986 in grote oratorium koren, die op hoog niveau met professionele dirigenten, solisten en orkesten werken. 20 jaar mocht ik samen met KCOV Excelsior in het Concertgebouw in Amsterdam twee avonden achtereen de Matthäuspassion voor het voetlicht brengen. En in het najaar een ander machtig koorwerk.

Vanaf 2006, na de emigratie naar Fryslân, met wijlen mijn lief Bauke, die op zijn 50e uit het niets voorgoed enkelzijdig verlamd raakte door een herseninfarct, ging ik zingen bij Oratorium Vereniging Bolsward. Onder leiding van dirigente Pauli Yap zing ik met dat koor alweer 13 jaar met het grootse genoegen de mooiste oratoria. Waaronder wederom jaarlijks de Matthäuspassion. Zingen houdt mij niet alleen gezond, maar ook op de been. 

Schrijver ben ik ook altijd al geweest. Als kind al schreef ik verhalen. Een boek zelfs, nooit uitgebracht hoor, over ‘Het mannetje dat geen mannetje was’. Veel later het teruglezend zag ik pas dat het over een figuur ging die overduidelijk buiten de boot viel en zoekend naar het geluk bij allerlei groeperingen de deksel op zijn neus kreeg en zelfs verstoten werd. Niet vreemd dat zo’n kind het in zich had om missiewerk te gaan doen. Niet om het geloof te verspreiden hoor, neen! Maar om via sociaal pedagogische hulpverlening niet alleen psychiatrische patiënten, ‘moeilijk opvoedbare kinderen’ en gedetineerden te helpen, maar zelfs ook om de hulpverlening zèlf te verbeteren. 

‘Dus’ werd ik, na mijn studie en veldwerk, docent methodiek van het Inrichtingswerk, later Sociaal Pedagogische Hulpverlening, aan (voorheen) de sociale academie De Karthuizer in Amsterdam. Maar het curriculum voldeed niet geheel aan mijn maatstaven, dus besloot ik om zelf een studieboek te schrijven. De Professionele Inrichtingswerker geheten. Want zowel in de praktijk als op de opleidingen zag ik mensen die zelf vaak erg onzeker waren over de kern en de waarde van hun beroep. Zich vaak lieten ondersneeuwen door andere disciplines in een inrichting. Zelf verantwoordelijkheid nemen, je goed verdiepen in de methodiek van teambegeleiding, van instellingsorganisatie en –beleid, zodat je goed beargumenteerd je beroepsstandpunt kenbaar kon maken, vond ik essentieel binnen dat beroep. Emancipatie van mijn beroepsgroep- en daarmee de verbetering van de kwaliteit van deze specifieke hulpverleningsvorm- werd mijn grootse missie. Mijn grootse blinde vlek was echter dat het even belangrijk was om op die missie medestanders te krijgen die op posten zaten waar ze een verandering mede konden bewerkstelligen. Ik besteedde te weinig aandacht aan de acceptatie van mijn methodiek. En zoals de vergelijking E= K x A zegt is werken aan acceptatie (A) van een goed idee soms even belangrijk als de kwaliteit(K) ervan. E, het effect van iets wat je inbrengt, hangt daar vaak nauw mee samen.  De A factor is niet belangrijk in een zeer urgente situatie. Als er een huis in brand staat, ga je niet eerst met omstanders overleggen of iedereen het wel een goed idee vindt om de brandweer te bellen of mensen uit het huis te redden. Dan heeft K absoluut voorrang. Maar in veel andere gevallen, zoals mededocenten betrekken in het schrijven van een methodiekboek, is het beter om de acceptatiefactor met een grote A te schrijven. Ik schreef na  het eerste studieboek nog vier anderen voor het HBO-SPH.

Schrijven is een passie. Maakt- niet- uit -wàt is een overdrijving, maar ik vond en vind het heerlijk om zaken die mij raken (nee, een dichter ben ik niet) schrijvend aan anderen kond te doen. Fictie of non-fictie. Heb ook van huis uit de ijzeren discipline om dat te volbrengen. Want het is heerlijk, maar eenzaam werk. 

Ik schreef ook fictie. In 1996 kwam er bij uitgeverij L.J.Veen een korte verhalenbundel uit ‘Gek ben je zelf’ met als bron mijn ervaringen in de drie inrichtingen waarin ik had gewerkt.  Ik schreef nog twee romans, maar die zagen niet het levenslicht.

Middenin het schrijven van het laatste deel van de HBO-SPH trilogie Competent Sociaal Pedagogisch Hulpverlenen, bij uitgeverij SWP, stortte mijn leven in. Door de gevolgen van Bauke’s herseninfarct belandde ik zelf en wij samen, in de slachtofferhoek. Bauke was 50, ik 51. 

Verslag doen van die ramp die ons trof en de levenslange gevolgen ervan, werd een nieuwe missie. Om mensen die een dergelijk lot trof een hart onder de riem te steken. Te laten zien dat hetgeen je allemaal meemaakt, en vooral, voelt, niet raar of abject is. Dat het volstrekt normaal is om je afwisselend razend, hoopvol, verdrietig, diep somber of verlaten te voelen. Ik hoop dat ik in deze missie geslaagd ben. 

Dit is in de kern Jaska de Bree.  Andere, wisselende, aspecten zitten in de categorieën:  eigenwijs, betrokken, empathisch, ongeduldig, moedig, wantrouwend, lief, spraakzaam, betrouwbaar, recht door zee, controlebehoeftig,  perfectionistisch, dominant, belezen, geestig, creatief,ruim denkend, leergierig, nieuwsgierig, enthousiast en opdringerig.

De mate waarin en óf  ik dat aan anderen toon, is aan anderen om over te oordelen. 

Ik hoop dat u nader wilt kennis maken met de schrijver en sociaal pedagoog Jaska de Bree middels dit boek: ‘En als de dood nu niet het ergste blijkt?’ 

Jaska de Bree – Midlum/Harlingen, januari 2020.

En als de dood nu niet het ergste blijkt?

Leven na een beroerte

Jaska de Bree

Op werkdagen vòòr 23:00 uur
besteld, de volgende dag thuis.
Gratis verzending

Meer informatie over Obelisk Boeken

Dit boek is een uitgave van Uitgeverij Obelisk. Bestel in onze officiële webshop. Tevens verkrijgbaar bij iedere boekhandel
in Nederland en België.